Wat is het verschil tussen Nach en Zu?

Wat is het verschil tussen Nach en Zu?

Je gebruikt ‘nach’ als je naar een land, stad of windrichting gaat: ‘Ich gehe nach Frankreich’; ‘Ich fahre nach Paris’; ‘Ich gehe nach Norden’. Tenslotte gebruik je ‘nach’ als je naar huis gaat: ‘Ich gehe nach Hause’. ‘Zu’ gebruikt je als je ergens naartoe gaat, in de zin van onderweg-zijn.

Is het Nach of zu Hause?

Het beste antwoord Nach wordt gebruikt als het voor een zaaknaam of voor een geografische naam zonder lidwoord staat. Voorbeelden: Er geht nach Spanien, wir gehen nach Hause. Zu wordt gebruikt in de betekenis van naar als het voor namen van personen staat, en als er sprake is van een richting.

Welke naamval na nach?

Je gebruikt de derde naamval na een van de volgende voorzetsels:

  • aus (uit)
  • bei (bij)
  • mit (met)
  • nach (naar)
  • seit (sinds)
  • von (van/door)
  • zu (naar)
  • entgegen (tegemoet)

Welke naamval na Gegen?

Voorzetsels

3e Naamval Vertaling 4e Naamval
Mit Met Bis
Nach Na Durch
Bei Bij Für
Seit Sinds Gegen

Welke naamval na für?

Je gebruikt de vierde naamval na een van de volgende voorzetsels: bis (tot) durch (door) für (voor)

Welke naamval na um?

Voorbeeld: Der Pinguin fragt den Mann nach dem Weg. Na de volgende voorzetsels volgt automatisch de vierde naamval: bis, durch, für, gegen, ohne, um.

Waarom nach Hause?

Nach wordt gebruikt als het voor een zaaknaam of voor een geografische naam zonder lidwoord staat. Voorbeelden: Er geht nach Spanien, wir gehen nach Hause.

Wat is een Keuzevoorzetsel?

Voorzetsels vind je vaak in de buurt van een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord. Sommige voorzetsels hebben een vaste naamval en andere voorzetsels krijgen of de ene naamval of de andere. Die voorzetsels noem je keuzevoorzetsels.

Welke naamval na MIT?

De derde naamval wordt gebruikt: Voor het meewerkend voorwerp (aan, voor). Altijd na de voorzetsels aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, außer en gegenüber.

Welke naamval na an?

Bij de volgende werkwoorden krijgen auf, in en an altijd de 3e naamval:

  • ankommen in/an/auf (aankomen in/op)
  • Die Erklärung erscheint auf dieser Website.
  • leiden unter (lijden onder)
  • verschwinden in/hinter/unter (verdwijnen in/achter)
  • Er glaubt an die Menschen.
  • sich konzentrieren auf (concentreren op)