Hoe teken je een gelijkzijdige driehoek zonder passer?

Hoe teken je een gelijkzijdige driehoek zonder passer?

Leg je liniaal op het papier en trek dan met een potlood een lijn langs de rechte rand. Dit lijnstuk vormt straks een zijde van je gelijkzijdige driehoek, wat betekent dat je nog twee lijnen van precies dezelfde lengte moet trekken, elk naar een punt toe in een hoek van 60° ten opzichte van de eerste lijn.

Welke eigenschappen heeft een gelijkzijdige driehoek?

Bij een gelijkzijdige driehoek zijn alle drie de zijden even lang. De kenmerkende eigenschappen zijn: De drie hoeken zijn even groot, elk 60∘ .

Hoe een driehoek tekenen?

Bij deze combinaties van elementen kun je een driehoek tekenen: ZHH (Zijde Hoek Hoek) ZHZ (Zijde Hoek Zijde)…Stappenplan voor het tekenen van een driehoek waarvan je 1 zijde en 2 hoeken weet.

  1. Teken de zijde.
  2. Teken de eerste hoek.
  3. Teken de tweede hoek.
  4. Het punt waar de benen van de hoeken elkaar snijden, is de derde hoek.

Is gelijkzijdige driehoek even lang?

Een gelijkzijdige driehoek is een driehoek waarvan alle drie de zijden precies even lang zijn. Als de zijden van een driehoek exact even lang zijn, weet je automatisch ook dat de hoeken even lang zijn, namelijk 60 graden.

Wat is een driehoekige driehoek?

Gebruik formule: oppervlakte driehoek = 1/2 x basis x hoogte = 1/2 x AB x CD. Invullen levert: oppervlakte = 1/2 x 5 x 4,5 = 11,25 cm 2. Voorbeeld 3 (afb. 3) Gegeven een stomphoekige driehoek KLM met KL = 3 en LM = 5.

Is de lengte van de rechthoek gelijk aan de hoogte van de driehoek?

Eenvoudig gezegd bereken je dus eerst de oppervlakte van de rechthoek en neem je daar de helft van. Nu is de lengte van de rechthoek gelijk aan de lengte van de zijde die de basis is van de driehoek en de breedte van de rechthoek is gelijk aan de (bij de basis horende) hoogte van de driehoek.

Wat is De oppervlakte van de driehoek?

Bewijs Oppervlakte driehoek. Dus de oppervlakte is de helft van de rechthoek die om de driehoek heen past. En deze ‘omvattende’ rechthoek heeft als oppervlakte: lengte x breedte = AB x BE (en BE = DC). Dus de oppervlakte van ABC is de helft van AB x BE. Dus Opp (ABC) = 1/2 x AB x CD, ofwel een 1/2 x basis x hoogte.